Het donker was zo inktzwart dat hij alleen de luchtverplaatsing van de beweging voelde. Hij zag niets. De klap kwam hard aan en hij zakte voorover. De stoel, waar hij aan vastgebonden zat, belette hem te vallen. Hij voelde warm bloed van zichzelf. Half boven hem leek een zwak schijnsel te flakkeren, maar toen hij ernaar wilde kijken was het weg. Hij kon het alleen waarnemen vanuit zijn ooghoek. Als hij zich concentreerde werd de vlek helder groen, met een zwarte vlek in het midden. Het groen was mooi. Zacht.

De tweede klap voelde hij niet aankomen, maar hij voelde de felle pijn in zijn gezicht. Hij schreeuwde hard. Hij hoorde een wellustig gehijg toen hij een schop in zijn buik kreeg. Daarna hoorde hij niets meer. Zijn lichaam verkrampte en hij kreeg geen lucht. Op de stoel sleepten ze hem weg, de kamer uit. Er werd luid geschreeuwd, maar door de pijn hoorde hij niet wat ze zeiden.

Toen werd hij met stoel en al naar beneden gegooid. Hij voelde een rib breken toen hij keihard op een traptrede terechtkwam. De trap was maar kort en hij landde hij op iets zachts. Hij was op het randje van bewustzijn toen hij voetstappen op het trapje hoorde, alsof ze ver weg waren. Toen werd de blinddoek van zijn hoofd getrokken. De stoel werd van hem afgerukt. Het licht was zo fel, dat hij zijn hoofd verstopte in de zachte ondergrond.
‘Je zúlt praten,’ siste iemand in gebrekkig engels venijnig in zijn oor, met een ongearticuleerde, hese stem. ‘We móeten weten welk idee je had, hoor je vuile verrader. Je gaat dóód hoor je!’
Hij wou wat zeggen, maar zijn keel zat dicht. Hij liet zijn hoofd achterover zakken.

Hoe lang hij zo ligt wist hij niet. Toen hij zijn hoofd optilde merkte hij hoe verschrikkelijk het stonk in het vertrek, het was amper mogelijk om adem te halen. Een scheut van pijn trok door zijn romp toen hij zich half oprichtte. Hij keek verdwaasd om zich heen en langzaam vertrok zijn gezicht in een grimas vol afgrijzen. Hij wilde gillen, schreeuwen, krijsen, maar de aanblik was te afschuwwekkend. Hij lag tussen alleen maar dode mensen. Het hele vertrek lag er vol mee. Dode ogen staarden hem aan van alle kanten. Kleren waren doordrenkt met bloed.

Zijn stem was terug en met een luide gil worstelde hij zich onder het lijk vandaan waar hij half onder lag. De pijn voelde hij niet meer. Met een diepgewortelde oerkracht strompelde hij over de dode lichamen naar de deur, half vallend en met zijn voeten gezichten vertrappend. Hij gilde hysterisch, toen hij de trap op strompelde en de deur openzwaaide. Met een plof landde hij in de gang, die vol rook stond. Een deel van de muur was weg en er lag overal puin. Hij kon zo naar buiten kijken. Hij voelde opnieuw de pijn als een bliksem door zijn lichaam schieten. Er was niemand te bekennen en na tien stappen stond hij buiten.

In het donker rende hij door een paar straten van de stad richting zijn huis. Er waren veel mensen op straat, die allemaal renden of hun leven ervan afhing. Ze keken niet naar zijn gestrompel om. Na nog een paar straten was hij bij zijn huis. Buiten klonk geschreeuw en het geluid van een langsscheurend voertuig. Hij kromp ineen en viel op de grond. De pijn in zijn lichaam bracht hem onmiddellijk weer bij zijn positieven. Terwijl de tranen hem over de wangen stroomden voelde hij onder de vloer in de keuken en griste een in smoezelig papier omwikkeld pakje weg.

Half vallend rende hij weer naar buiten, maar hij struikelde opnieuw en viel hard op zijn knieën en kreunde het uit van de pijn. Een langsrennende man draaide zich om en kwam op hem af. In een flits meende hij de man te herkennen. Een bewaker die ziek geworden was, zo leek het.

Terwijl het zweet hem in de ogen liep voelde hij hoe de man hem tientallen meters meesleurde. Links en rechts passeerden opnieuw rennende mensen. Ze huilden allemaal. Om de paar seconden klonk een zware ontploffing en trilde alles. De straten stonden vol rook. Opnieuw schoten. Hij zag overal bloed. Er was zoveel bloed. Hij voelde hoe hij kotste over zijn eigen kleren.

Bij een oud voertuig, dat bruin verkleurd was door de roest, hielden ze halt. Onzacht werd hij in het busje gedrukt. Hij schreeuwde het weer uit van de pijn. Hij kreeg een harde tik op zijn hoofd en de deuren van het busje werden met een dreun dichtgegooid.
‘Kop dicht!’ siste de bewaker, ‘de rebellen zijn de stad ingekomen. De gevangenis is opgeblazen. We gaan hier weg. Het zal een dodenrit worden naar de grens.’

Achterin het busje pakte een man ruw het pakje uit zijn binnenzak en telde de laatste resten van zijn geld dat erin zat. Hij werd erg kwaad en terwijl het busje vervaarlijk slingerend wegreed stond de man half op en gaf hem een paar harde trappen. Hij huilde het uit van de pijn. Hij voelde hoe hij in zijn broek plaste.

Het busje minderde vaart. De man achter het stuur schreeuwde dat ze meer geld wilden.
De bewaker trapte de schoppende kerel naar achteren.
‘Doorrijden!’ gilde de bewaker, ‘anders gaan we er allemáál aan!’
De chauffeur gaf een straal gas en ze tuimelden allemaal over elkaar heen. Er werd enorm tegen het busje aangetrapt. Iedereen schreeuwde. De man die hem geschopt had kwam opnieuw op hem af. De bewaker hield een mes voor de neus van de man en boog over hem heen. De man bedaarde en zakte in een hoek van het busje op een stapel vodden.

Hij droogde zijn tranen en heel even dacht hij aan thuis. Net wou hij gaan glimlachen toen hij opeens zag hoe zich een bloedvlek aftekende op de borst van de man op de vodden. De vlek werd langzaam groter en groter. Het hoofd van de man zakte naar achteren. De chauffeur zag het ook en trapte keihard op de rem. De bewaker schoot naar voren en pakte de chauffeur bij de keel.
‘En nou rijden, verdomme! gilde de bewaker. Hij zag het zweet in dikke stralen van zijn gezicht stromen. De bewaker zag er ziek uit.
‘Straks maakt hij ons allemaal ziek,’ dacht hij, ‘dan gaan we alsnog dood.’