Een voetbaltraining van de F-jes kijken is leuk. Het heeft nog de ambiance van ‘straks aan tafel bij moeder’ en mist nog het hoekige dedain van de oudere elftallen.

Als mijn zoon zich klaarmaakt om de training te gaan volgen klinken bij mijn thuiskomst de stadionliederen tot bij de deur. Zijn stem is wat lager en in de kamer worden gesticulerende voetbalbewegingen gedemonstreerd zonder bal, op afstand het midden latend tussen een mime act en een balletdans.

Tijdens de training beroepen de spelertjes elkaar luidkeels. Hoofddoel van het geschreeuw is het in bezit nemen van de bal. Het ronde voorwerp heeft zó’n immense aantrekkingskracht dat het lijkt of zowel in de schoenen der spelertjes als in de bal magneten zij aangebracht. Wordt de bal echter niet snel genoeg afgestaan dan volgen mondelinge berispingen van medespelers die ik hier maar niet weergeef. Als ik vroeger zulke woorden bezigde als F-je zat ik spoedig weer aan tafel.

Als er gescoord wordt applaudiseren de heertjes zoals ze dat op de televisie zien; kleine klapjes in de handen boven het hoofd, waarbij de elleboogjes naar voren wijzen. Ik zou wel willen dat die spelers op TV eens beseften dat alles wat ze doen door F-jes als voorbeeld wordt gebruikt.

Het spel moet overigens regelmatig worden stilgelegd omdat een der spelers moet huilen. Een botsing of het plaatsen van een voet op een andere voet is veelal de aanleiding tot het verdriet. Dat huilen zie je beduidend minder bij de hogere teams. Op de televisie zie je het soms, na het behalen van de beker.

Als een der knapen echter door een ongelukkige beweging van de trainer een ‘kontje’ krijgt en hard richting de onvergevingsgezinde grasmat gelanceerd wordt, verschijnen er serieuze waterlanders, vergezeld van lange snikkende uithalen. Het ventje belandt uiteindelijk naast mij op de bank. Mijn zoon kijkt duister. Hij vindt het aanstellerij, maar aan de andere kant had hij ook wel even naast mij willen zitten.

Ik kijk opzij en zie een betraand gezicht, met twee grote zuidwaarts stromende beken. Het jongetje snikt nog wat na.
‘Heb je pijn?’ vraag ik, volkomen overbodig. Hij knikt ernstig. Hij wijst op de knie. Ik zie een oud litteken, blijkbaar is het scharniergewricht niet voor het eerst lijdend.
‘Je hebt een litteken,’ zeg ik. Briljante teksten bezig ik nooit tegen kinderen.
Hij knikt opnieuw. Maar blijkbaar herinnert dit hem aan nóg ondraaglijker leed waarbij de huidige pijn verbleekt, want hij springt op en spurt het veld weer in.

Een der spelertjes is aan het einde van de training aardig moe en ontdekt een bloempje tussen de vele grassprietjes. Verderop staan er twee te ginnegappen. Mijn zoon scoort tien keer. Ik kijk naar zijn enorme oersterke lichaam en heb wat medelijden met zijn tegenstanders. Weer in de auto analyseert hij zichzelf.
‘Ik was goed vandaag. Daar krijg ik wel zelfvertrouwen van. Dan ben ik zaterdag vast wéer goed, pap.’

Soms kunnen we ook wat leren van de F-jes. Zelfs de spelers van de televisie.
 
 
 
2014.