Voyeren

Het is al vroeg donker. Ik wandel door het dorp. Omdat het dorp in Nederland ligt zijn alle gordijnen open en kun je overal naar binnen kijken hoe het bankstel staat bij Mien. We wonen in etalages.

In de verte oefent de lokale drumband. De persoon achter de grote trom ramt alle frustratie van de werkdag eruit. Maar wel precies in de maat. Na twee minuten merk ik dat ik mijn tempo erop aangepast heb en ik marcheer door de straten. De kerkklok doet een poging boven het lawaai uit te komen maar verliest van de idiofonen.

Als ik ongegeneerd ergens naar binnen kijk zie ik nog net hoe een man moeizaam zijn pantalon aan het ophijsen is middenin de kamer. Aangezien ik aanneem dat hij niet gekakt heeft in een gat in de vloer blijf ik even staan om te zien wat er scheelt aan het blijkbaar slecht zittend textiel. Maar als hij opkijkt loop ik schielijk door. Ik zal het nooit weten.

Een paar huizen verder is een familiefeestje aan de gang. Voor de deur staat een kaars in een glazen bak te branden en de bewoners hebben effectlampen in de tuin die natuurlijk nu aan staan voor de visite. Binnen is het druk. Er wordt veel gegeten middels een centraal in de keuken opgestelde bakplaat. Iedereen loopt en praat door elkaar. Het ziet er inderdaad feestelijk en gezellig uit. Ik krijg de neiging even naar binnen te lopen maar dat zou stuiten op pijnlijke misverstanden. Je kunt moeilijk zeggen: ‘Het zag er zo gezellig uit buiten, ik kom even mee-eten.’

Als ik weer doorloop zie ik dat in het huis pal ernaast een vrouw alleen in de kamer zit. Ze doet niets. Als ik nog wat verder loop kijk ik even om. Ik nam aan dat ze voor de televisie zat, maar dat is niet zo. Ze zit in haar stoel en staart gewoon voor zich uit. Ze zit in een kamer die vol staat met stoelen. Ik tel acht eetkamerstoelen, er staan diverse fauteuils en twee banken. Misschien wacht ze op de thuiskomst van diverse familieleden of is het straks ook feest, net zoals bij de buren. Maar haar schouders staan afgezakt, ze hangt lusteloos in de stoel en beweegt nauwelijks. Het plaatje is triest, zo naast een huis vol feestgangers.

Ik kan natuurlijk niet blijven staan en loop door. De drumband is klaar. Het is opeens onnatuurlijk stil in het dorp. Een kat kruipt nukkig weg onder de bosjes als ik nader. Het is nog maar half negen. Ik besluit nog een keer het rondje te lopen, het is lekker fris buiten. Na nog een huis met twee schreeuwende mensen, die ik het liefst zou filmen, en een bejaardenwoning met een man die nu al aan het neutje zit, kom ik weer langs het huis met de feestgangers. De kurken zijn inmiddels van de flessen. Ik zie achter in de kamer een jongen met een fles bier. Hij lijkt me een jaar of elf. Alle aanwezigen lachen en praten.

Het huis ernaast is inmiddels donker.