Het kan vreemd gaan

Als ik gelaten plaatsneem in de wachtruimte wil ik net een uitgebreid gesprek met mezelf beginnen als hinderlijk dichtbij een man plaatsneemt. Wat geërgerd kijk ik opzij, maar dan herken ik Henk. Hij mij ook, want hij komt nog dichterbij en ik krijg een klopje op de schouder.
Na het wat plichtmatig heen en weer stellen van de retorische vraag hoe het gaat, blijkt Henk een eerlijk antwoord te geven; een zeldzaamheid tijdens zo’n ontmoeting. Het gaat namelijk níet goed met Henk.
‘Ach, het boterde al lange tijd niet zo tussen mij en m’n vrouw,’ steekt hij van wal.

Ik stel het gesprek met mezelf maar even uit en ga omslachtig verzitten.
‘Ja, tussen neus en lippen door vertelde ik al wel eens wat op het werk,’ vervolgt Henk gedwee, ‘ik was zo ontevreden. Over het gedrag van haar. Ook haar uiterlijk sprak me niet erg meer aan. Maar ja, zoals zo vaak bleef mijn eigen aandeel een beetje in het ongewisse. Ach en ja, zo’n verbintenis hè? Je bezegelt het met een krachtig uitgesproken jawoord, dat vanuit je tenen opborrelt naar je mond. Maar daarna komt het.’
Ik knik maar wat. Een niet onbekend verhaal. Mensen vertellen het mij ook vaak. Te vaak, eigenlijk.
‘Je raakt ontvankelijk, hè?’ zegt Henk analyserend, ‘ongeveer een half jaar na mijn eerste ontboezemingen over de zeeziekte in het huwelijksbootje kreeg ik nachtdiensten met Ans. Ja, die nachtdiensten hè? En dan. Ontvankelijk natuurlijk. Ik dacht aan mezelf. Genot en erkenning boven verantwoordelijkheid. Ik ging vreemd. Maar ja, dat hou je niet lang verborgen.’

Ik begrijp inmiddels allang het verlaten van de huwelijkse sponde.
‘Iedereen prak er schande van. Mijn vrouw stond hoog aangeschreven in het dorp, weet je wel? Op het werk werd het tijdelijke contract met Ans niet verlengd natuurlijk. Ik moest op het matje bij de chef. Een uur lang kreeg ik zedenpreken te horen. Conclusie was dat ik mocht blijven omdat Ans wegging. Maar mijn reputatie was naar de maan, de verdere carrière kon in de ijskast. Naast Harriët, mijn vrouw. Ja dat zei ik toen man! De carrière naast Harriët, in de ijskast. Tja.’

Hij rilt even. Nieuwsgierig kijk ik even opzij. Er is meer, ik voel het. Het komt.
‘Mijn zoontje was toen zes jaar. Een jaar geleden nu. Fijn knulletje. Beetje wild wel. Maar toch. Fijn.’
Angstig kijk ik hem aan. Ik voel naderend onheil. Hij begrijpt me en zegt snel: ‘O nee, begrijp me goed hoor. Het is nog steeds een fijn ventje. Maar hij begreep er geen bal van. Papa vertrok met koffers en auto naar een ander oord. Voordeel was dat hij elke nacht bij mama mocht slapen, maar hij miste me erg hè? Zo’n moeder kan niet voetballen.’

Net als ik even wil lachen zegt hij: ‘Juf merkte een onmiddellijke achteruitgang in de schoolprestaties. Tim was bijna niet meer te handhaven in de klas. Zoals ik al zei. Een beetje wilde jongen. Maar wel lief. In overleg met de huisarts en de orthopedagoog werd een behandelplan opgesteld voor Tim. Er kwamen pilletjes. Het gaat nu wel.’

Hij staart nu dromerig langs me heen. Na een korte stilte zegt hij tegen de witte muur: ‘Ik heb hem nu elke dag bij huis. Ook wel even wennen. Ja, Harriët hield het nog knap vol eigenlijk. Ze had altijd al periodes van somberheid, moet je weten. Ze brak twee weken geleden pas echt, na bijna een jaar moeilijkheden. Met Tim. Met het moederschap. Met mij, en of ik hem kon zien. Met of zonder Ans. Maar niemand zal ooit weten waarom nu precies toen die nacht, op dat moment. Misschien een zware dag. Of door de herfst of zo.’

Ik ben muisstil geworden. Zacht fluister ik: ‘En toen?’
‘Ja, twee weken geleden. Maandagnacht. In bad. Met heel veel pillen. Ze had ze opgespaard, moet je weten.’

Het is zweterig stil geworden in de wachtkamer. Een man verderop is opgehouden met het bladeren in een tijdschrift. Een oude vrouw kijkt met geopende mond onze kant op. Henk merkt het niet. Hij slikt krachtig.
‘Ik kreeg een telefoontje op mijn mobiel, van de huisarts,’ zegt hij zacht, ‘ik was net bij een collega thuis. Ik vroeg die huisarts of ze zou komen te overlijden. Maar ze was allang dood. Natuurlijk. Zo’n overdosis. Daar hou je niks aan. Ja man, ze was al dood.’

Er gaat een belletje. Ik ben aan de beurt. Ik druk Henk lang de hand.
‘De mens als zelfstandig wezen bestaat niet,’ zegt hij, ‘direct of indirect heeft de keuze van de een altijd gevolgen voor de ander. Dat overkomt jou ook. Iedereen. Alleen dit gevolg was wel heftig.’

Ik denk nog lang na over zijn laatste, deterministische, opmerking. Zelfs mijn eigen bestaan is het gevolg van de keuze van anderen. Waar ben ik verantwoordelijk en waar iemand anders? Determinisme versus vrije wil versus theologie. Of juist een combinatie daarvan. De Vlaamse schrijver Eugene Bosschaerts zei het treffend:

De heftigheid van onze hartstochten bepaalt de beperktheid van onze vrije wil.