Als je aan de foute kant van de vijftig vertoeft is het prettig mensen te ontmoeten die nóg ouder zijn dan jij. Als ik tegenover hem zit in het kleine koffiehuis, dat ’s avonds louter stamgasten aan de bar bevat, kijkt hij me bemoedigend aan. In zijn ogen ben ik een jongeling die het allemaal nog moet ontdekken. Zelf voel ik het ook zo, dus deze rol speel ik graag.

‘Je kunt toch moeilijk stellen dat de samenleving er verdraagzamer op is geworden,’ poneer ik, na zijn verzuchting dat het journaal gisteravond weer een heel ander beeld schetste dan de dagelijkse realiteit op straat. ‘Om via de media de toch al groeiende tegenstellingen uit te vergroten maak je de problemen alleen maar groter.’
Hij knikt bedachtzaam, maar op een manier alsof zijn hoofd elk moment van zijn romp kan rollen. Een rilling loopt over mijn rug en ik zet de bizarre gedachte van me af.
‘Verbinding wordt een belangrijker begrip dan het eigen gelijk,’ zegt hij, ‘maar daarom moet je als verslaggever nog wel de waarheid willen vertellen, hoe zuur die ook is.’

‘Je moet wel zin hebben in die verbinding,’ zeg ik, ‘want het komt er eigenlijk op neer dat je moet verbinden met mensen die ver van je bed staan. Met de instroom van allerlei mensen die hier niet geboren zijn verander je de samenstelling van de bevolking. Die mensen hebben andere wensen, eisen zo je wilt, dan wij.’
‘Jij praat ook al over wij,’ meesmuilt hij.
Ik neem snel een slokje koffie en ik verbrand mijn lip. Met een rood hoofd dreun ik het kopje terug op het schoteltje. De hete koffie komt op mijn vingers.
Hij lacht.

‘Kijk het is een soort oer-claim,’ zegt hij, ‘het land is van ons omdat onze voorouders er woonden. Iedereen die erbij komt moet dus doen wat wij zeggen, omdat wij de baas zijn. Daar komt het eigenlijk op neer. Dan is er ook geen ruimte voor andere denkbeelden en waarden. Iemand die hier komt wonen en hier niet geboren is wordt daarmee eigenlijk een tweederangs burger. Meelopen in de maat of oprotten.’
Ik knik wat.

‘Tel daarbij op dat in deze tijd, die we de tijd noemen van individualisering, we eigenlijk steeds meer behoefte hebben aan gelijkheid,’ vervolgt hij, ‘als we gelijk zijn is niemand benadeeld. Iedereen voelt zich dan meegeteld. In die wens om gelijk te zijn aan elkaar past geen aanpassing aan andere, vreemde waarden. We willen gelijkheid in inkomen en werk, status, manier van reageren, weet ik veel wat allemaal. Maar geen aanpassing aan een moraal van buiten.’
Hij gaat wat verzitten. De zon zet hem wat en silhouet en accentueert de diepe lijnen in zijn oude gezicht. Eigenlijk wil ik een foto van hem nemen maar het voelt op dit moment als plat vertier.

‘Ligt het niet meer aan de oppervlakte?’ vraag ik hem, ‘het gaat niet om het gelijk willen zijn, maar juist om het gelijk willen hebben. Bezwangerd door het eigen gelijk draag je het rond als een baby, gekoesterd en volledig van jou. Niemand pakt het je af, je bent dronken van geluk en het geloof in jezelf. Vind een aantal gelijkgestemden en die waarheid wordt in beton gegoten. We discussiëren niet meer, er bestaat geen retorica meer, zo je wilt. We slaan elkaar om de oren met meningen. Je zoekt dus pas gelijkheid als die past in jouw doel. Een ja-knikker-cultuur zeg maar.’
Hij proeft mijn woorden tegelijk met zijn koekje. Hij knikt weer zo eng.

‘Misschien gaat het beide op,’ zegt hij. Onderliggend de latente behoefte gelijk te zijn in een wereld vol ‘bedreigingen’ en anderzijds een individualiserende stroming die het ego opblaast tot een heteluchtballon.’
‘Maar ongeveer met dezelfde conclusie,’ zeg ik.
‘Verbinding, tolerantie, als enig redmiddel,’ zegt hij. Ik knik.
‘Dan is er nog wel het probleem hoe je dat bewerkstelligt,’ zeg ik, ‘ik zag laatst in het nieuws dat de overheid probeert grip op de situatie af te dwingen. Ik hoorde iets over initiatieven om ouders verplicht op opvoedcursus te sturen. Onder het mom van terrorismedreiging krijgt de overheid ook steeds meer toegang tot privé-informatie. Volgens mij zijn het pogingen om waarden af te dwingen. De maakbare moraal.’
‘Moraal is altijd maakbaar,’ zegt hij, ‘de set aan waarden in de maatschappij maken we zelf, met z’n allen.’
‘Ja oké,’ zeg ik, ‘maar waarden onder dwang of verplichting zijn dan niet van ons maar van de overheid.’
‘Touché,’ antwoordt hij, ‘maar als de moraal zakt naar een niveau waarin groepen elkaar naar het leven staan zul je als overheid toch iets moeten doen.’
‘Ja ik denk het wel,’ zeg ik, ‘ander raak je op het niveau van het recht van de sterkste waarschijnlijk.’
‘Precies,’ zegt hij.
‘Dus de zwaksten zijn het eerste de dupe als we niet meer een moraal aanhangen die van ons allemaal is,’ zeg ik.
‘Kijk naar wat er gebeurt met werklozen, psychiatrische patiënten en hulpbehoevende ouderen,’ zegt hij, ‘ik ben elke dag opnieuw dankbaar dat ik nog niet bij een van die groepen hoor.’
Hij kijkt zeer bitter nu. Zo te zien smaakt de koffie hem overeenkomstig.
‘Toch klopt je stelling niet,’ zeg ik desondanks, ‘juist door keuzes van de overheid, ook morele, zitten we op het pad van contractualisering van zorg, onderwijs en sociale steun. Ook dat zijn waarden die een regering binnen een periode van vier jaar voor ons allemaal bepaalt. Dus ook mét overheidssturing op waarden geldt het recht van de sterkste, ook al slaan we elkaar misschien niet de koppen in.’

Hij zucht vermoeid. We moeten erover ophouden denk ik. Ik glimlach naar hem, maar hij ziet het niet. Hij staart naar buiten. Zijn vingers spelen met het papiertje van het koekje. Dan draait hij zich weer naar mij toe en zegt:
‘Ik denk dat de overheid moet faciliteren in een maatschappelijk debat over een aantal waarden. Niet afdwingen of voorschrijven. Een aantal waarden raakt ons allemaal en zullen in vrijheid verkozen moeten worden. Als sterke groeperingen zwakke benadelen met zulke waarden moet de overheid bijsturen. Maar die grens is soms lastig, geef ik toe.’

‘Dus de bevolking verandert, we gaan meer voor onszelf, we zoeken maatjes die hetzelfde denken en ondertussen moeten we gemeenschappelijke waarden vinden die borgen dat we als maatschappij menselijk blijven. Daarbij moeten we zo weinig mogelijk dwang uitvoeren om toch een democratie te blijven.’
Hij glimlacht. ‘Dat is de taak waar jonge mensen zoals jij voor staan,’ zegt hij warm.

Ik bestel een borrel.