Omdat de koude sneeuw dwars door textiel en opperhuid drong alsof een darcy meer of minder er niet toe deed, besloot ik mijn zoon van school te halen met de auto. Ik vond dat leuk, waardoor ik veel te vroeg vertrok en de wagen parkeerde voor de school. Ik ging maar zitten wachten. En kijken.

Pal voor mij bleek een vrouw met een Citroën C4 hetzelfde idee te hebben gehad. Maar haar kind was al vrij en de fiets moest ook mee naar huis. De achterbak van de C4 was niet heel klein, maar de fiets was fors uitgevallen. Moeizaam pakte de vrouw het afgetrapte ijzeren karkas en poogde deze in de laadruimte van de C4 te krijgen. Ze ging daarbij niet erg zachtzinnig te werk zodat zowel fiets als C4 enig kraswerk opliepen. De eerste poging faalde: kletterend viel de fiets op de grond achter de auto. Het kind keek toe, beide handen diep weggedrukt in de broekzakken.

Op twee meter afstand baande een man driftig heen en weer. Hij had de parmantigheid van een minderwaardigheidsbekleder. Ook hij was wachtend op kroost dat de school uit zou komen. Het meneertje liep alsof hij steenpuisten in de oksels had die pijn deden; de armen hield hij op enige afstand van het lichaam. Behalve als hij het hoofddeksel, dat het midden liet tussen een muts en een pet, controleerde op juistheid van positie op het hoofd. Hij voelde aan het textiel, verschoof het wat, en liep dan weer met de moeilijke armen verder. Uit zijn gelaat stak permanent een walmend tabakstokje.

Links voor me stond een busje van het merk Renault. De bestuurder liep een aantal keer rond het busje. Daarna was hij geruime tijd bezig met het sneeuwvrij maken van de voorruit en de spiegels. Vervolgens opende hij de laadruimte. Hij trok er een lange kartonnen koker uit. Het ding was zó lang dat het leek op een trucage-film; eenmaal uit het busje leek het onmogelijk dat de koker erin zou hebben gepast. De man zwaaide het geval op de schouder en raakte daarbij bijna de man met de steenpuisten.

De puist keek net toe hoe de vrouw voor de tweede maal de fiets in de laadruimte van de C4 probeerde te steken. De kartonnen koker van de Renault trof hem bijna tegen het onduidelijke hoofddeksel. De puist kon er wel om lachen, maar bleek toch ettelijke pogingen nodig te hebben daarna om zich ervan te vergewissen dat het hoofd correct bedekt was. Ondertussen beende hij militant heen en weer met inmiddels de tweede sigaret in het gelaat.

Er kwamen enige kinderen uit de school. Bij het zien van een laag sneeuw op een kleine Daihatsu Sirion stormden zij en masse op het koekblikje af en begonnen een sneeuwbalgevecht. Omdat ze allemaal tegelijk de sneeuw van het autootje pakten schudde deze vervaarlijk heen en weer. Binnen de kortste keren was de gehele Sirion sneeuwvrij.

Een der sneeuwballen plofte tussen de benen van de vrouw met de C4. Ze had het niet in de gaten. De fiets was inmiddels met een smak in de laadruimte beland doordat de vrouw nu eerst het achterwiel de auto in duwde in plaats van het voorwiel en de fiets vervolgens zijwaarts liet vallen. Ze poogde de laadklep te sluiten, maar het voorwiel zat er nog tussen. Met haar voet trapte ze tegen de fiets en knalde vervolgens de klep keihard dicht. Ook deze auto bleek in een klap sneeuwvrij. Met veel gas geven en rook vertrokken moeder en kind.

Puist sloeg het gade, heen en weer benend. Hij produceerde echter meer rook dan de vertrekkende C4. Met wijd gespreide oksels en de vuisten op de heupen keek hij vervolgens de groep uitgesneeuwbalde kinderen na, die richting winkelcentrum dreutelde. Toen zijn eigen kind eraan kwam marcheren gaf hij het evenwel een liefdevolle knuffel. Samen vertrokken ze, met dezelfde onduidelijke tred.

De man van het Renault busje kwam eraan, stapte in en reed weg. Door de snelheid van het busje werd de auto omgeven door een wolk van sneeuw dat van het dak stoof, ook residu op mijn voorruit achterlatend.

Toen de school bijna leeg was kwam mijn zoon. Hij nam plaats naast mij. Samen keken we hoe een zeer deftige mevrouw de brandschone Daihatsu Sirion opende en direct wegreed.
‘Hoi pap, sorry dat je zo lang moest wachten,’ zei mijn zoon.
‘Och,’ zei ik, ‘helemaal niet erg.’