Ze keek door het keukenraam naar buiten. Zomaar, onder het opruimen van de afwas. Met een langzaam, automatisch gebaar legde ze de droogdoek op haar schouder. Afwezig streek ze een haarlok uit haar ogen. Ze staarde. Ze staarde met grote ogen door het keukenraam naar buiten, maar ze zag niets.

Achter haar krijsten de kinderen. Ze sloegen elkaar en de jongste zette het op een huilen. Weggezonken in haar weemoed streek ze hem even door het haar en richtte zich weer op toen hij wegliep. Zo stond ze weer voor het keukenraam. Ze legde een hand in haar nek.

Weemoedig. Het gevoel overviel haar als een vloedgolf. Een traan gleed over haar wang. Ze wilde zich vermannen. Straks zouden de kinderen het zien. Haar starende blik maakte plaats voor een waakzame over haar schouder. Maar de kinderen zaten inmiddels weer rustig bij het autokleed te spelen.

Ze zuchtte. Het gevoel ging niet weg. Eer ze er erg in had stond ze weer naar buiten te staren. Ze legde de droogdoek weg, die ze nog steeds in haar hand had en keek naar de halfvolle afwasmachine.

Halfvol. Ze speurde in haar geest naar de bron van haar weemoed. Ze voelde zichzelf ook halfvol. En dat was raar. Ze had een gezin. Een man, kinderen. Ze had een huis en een eigen auto. Ze had een baan. Geen volledige baan, maar goed. Ze hoorde niet bij de dolende huismoeders op het schoolplein.

Wat was er dan? Een nieuwe traan. Ze ging zitten op een stoel bij de tafel. Halfvol. Het glas was halfvol. Nee, dat was het niet. Het geluk voelde half. Ze miste iets. Een halfslachtig gevoel dat er iets ontbrak in haar leven. Was het Ben?

Ze dacht even aan haar man. Goed, als je elkaar leerde kennen wist je eigenlijk nog niet goed wie de ander was. Daar kwam je later pas achter. Je moest naar elkaar toegroeien. En dat hadden ze ook wel gedaan. Ze plukte aan haar trui. Ze wist het niet goed. Ze hield van hem, maar miste ook de dingen die ze niet met hem zou doen, al wist ze niet precies wat.

Ze keek om zich heen. De kamer. De kapotte klok. De kastanjeboom in de voortuin. Ze dacht aan de planning voor vanavond. Het eten. De kinderen naar bed. Het sporten. De televisie. Morgen de afwasmachine weer uitpakken en alles nadrogen omdat hij het niet zo goed meer deed.

De kinderen. Lieve schatten, allebei. Maar waarom voelde ze zich zo leeg? Daar kon ze Ben toch niet de schuld van geven? Wat ondankbaar ook, ze had immers zoveel dat anderen niet hadden.

Ze stond op en liep weer de keuken. Haar aandacht werd gevangen door een beweging buiten. Opnieuw keek ze door het raam en zag een meisje op de fiets over het fietspad naderen. Ze werd achtervolgd door een jongen, die haar hardlopend inhaalde. Ze schrok toen de jongen het meisje van de fiets trok. Maar ze zag het meisje lachen en gillen van plezier. De jongen ging bovenop haar liggen en ze rolden al zoenend en schreeuwend door het gras.

“Wat is er, mama? Moet je huilen?”
Haastig streek ze met de hand over haar gezicht en veegde de tranen weg.
“Ben je mal, gekkie! Waarom zou ik? Ik heb jullie toch?” riep ze gauw.
Maar toen ze haar jongste oppakte keek ze over haar schouder nog snel even naar de plek waar de jongen en het meisje waren.

Maar het fietspad was leeg.