Zomaar was het werk op. Op een ochtend gingen de mensen naar het werk, maar de grote toegangsdeur zat op slot. Met slordige letters was er Gesloten op de deur geverfd. Een enkeling duwde tegen de deur om zich ervan te vergewissen dat die ook echt op slot zat. En dat zat de deur. Dicht. Een besnorde voormalig leider maande de mensen door te lopen met de mededeling “Het werk is op mensen! Hier is niets meer te zien! Dóórlopen, alstublieft!” Aanvankelijk wilden de mensen wel doorlopen, omdat ze jarenlang gewend waren geweest om te luisteren naar de voormalig hoogwaardigheidsbekleder. Maar ze bleven toch besluiteloos staan. Doorlopen. Ze wisten niet waarheen. Ze bleven sullig wachten.

Zo verstreek de ochtend. Overal in de stad stonden mensen voor deuren en poorten te wachten tot ze naar binnen mochten om te werken. Maar het werk was op. Het werd simpelweg meegedeeld. Er was geen werk meer. En het kwam ook nooit meer terug. Al heel lang was alles gefabriceerd door steeds minder mensen en uiteindelijk kwam er niemand meer aan te pas. En nu er niemand meer aan te pas kwam kreeg niemand meer salaris. Daarom hoefde er niks meer gemaakt te worden omdat toch bijna niemand het meer kon kopen. Daarom was het werk op.
Versuft gingen de mensen uiteindelijk maar naar huis.

Zo verstreek wat tijd. Mensen zaten veel of gingen juist veel bewegen. Zonder werk hadden ze geen routine. Geen doel, geen focus, geen identiteit. Zonder hiërarchie kwijnden veel mensen al snel weg. Er werd niet meer naar ze geluisterd. De mensen die al een tijdje geen werk meer hadden moesten hier wel om lachen. Er was nu geen verschil meer tussen de mensen. Samenspannen had ook geen zin; niemand werd er beter van. Mensen pleegden zelfmoord. Anderen stierven van de honger. Het werk was op, eten werd niet meer geproduceerd. Voedsel plukte je maar van de boom of haalde je uit de grond, zoals de mensen heel vroeger deden, want voedselpillen raakten op.

Sommige mensen gingen denken. Zo kon het immers niet langer, uiteindelijk zouden er heel veel mensen dood gaan. Er kon best een heel klein groepje proberen voedsel te maken of andere zaken die andere mensen heel graag wilden hebben, maar als niemand betaalde had dat weinig zin. Hooguit kon je wat ruilen. En als machines alles maakten wat mensen moesten kopen, maar er geen geld was óm het te kopen kon je geld net zo goed afschaffen. Dan moesten machines gewoon maar maken wat mensen wilden hebben. Eten, medicijnen, vervoer, hebbedingetjes. En de mensen hoefden er niet voor te werken, want dat werk was op. Het werd gedaan door machines en robots. En die machines en robots controleerden zichzelf wel en elkaar. Ze voerden onderhoud uit op elkaar. Ja, soms was er een mannetje nodig om wat zaken te doen die robots écht nog niet konden, maar dat deed zo’n mannetje even voor niks. Arbeid was geautomatiseerd. Kapitaal had geen nut.

Dus de mensen kregen eten, licht, water, medicijnen en mooie spullen. Ze vonden het prima. Oude mensen en de mensen die al een hele tijd geen werk hadden wisten al hoe het was om te leven zonder te produceren. Ze leerden het de anderen. Het duurde aanvankelijk nog erg lang dat de mensen accepteerden dat de survival of the fittest een uitvinding was van de schepping die ze hadden overleefd. De drang naar overheersing ontaardde in vechtpartijen en zelfs in oorlogen. Maar als je gewonnen had leverde het eigenlijk niks op. Want iedereen had alles al.

Alle mensen gingen denken. Ze richtten zich op dingen die ze gezamenlijk konden doen, omdat dat genoegen schonk. Ze hielpen elkaar, omdat het een goed gevoel gaf. En de enkeling die zich doodverveelde en agressief bleef en mensen vermoordde voor de lol; die schoten ze naar de maan.