Het is onzalig vroeg als mijn zoon bij mij in bed kruipt. Tijd om te dommelen krijg ik niet. Hij draait onrustig heen en weer en zijn hele lichaam is in beweging. Net als ik om rust wil vragen zegt hij op zeer gemelijke toon:
‘Hij is eraf.’
‘Wat is eraf?’ vraag ik.
‘De wrat,’ zegt hij, ‘de wrat is van mijn teen af.’

Ik kan het nog niet bevatten op dit vroege uur. Mijn reacties gaan hem in ieder geval niet snel genoeg. Hij zegt nog eens:
‘De wrat is eraf.’
‘Ja, ja, ja,’ antwoord ik wrevelig. Mag een mens even wakker worden?
‘Ik heb hem eraf gepulkt,’ zegt hij. ‘Kijk!’
Lenig als hij is heb ik een fractie van een seconde later een blote voet pal onder de neus. Eigenlijk tégen de neus.
‘Au,’ zegt ik, klagerig.
‘Kijk nou,’ zegt hij.
Ik knijp een oog dicht en met het andere kijk ik. Ik zie een teen. Als ik beter kijk zie ik een heel klein kuiltje.
‘Waar is de wrat nu?’ vraag ik.
‘Oh, in je bed,’ zegt hij luchtig, ‘ik heb hem er net afgehaald.’

Ik zucht en zeg:
‘Hm, wees blij, dan ben je eraf.’
Maar dan kijkt hij verdrietig.
‘Ik vind het zielig voor de wrat,’ zegt hij.
Hij heeft zijn grote blauwe ogen vlak voor de mijne. Ze staan inderdaad bedroefd.
‘Waarom is dat zielig?’ vraag ik, vertwijfeld.
‘Nou, hij heeft de hele tijd toch op mijn teen gepast?’

Ik raak steeds meer verzeild in zijn wereld en mijn net wakkere geest laaft zich aan de verbazing.
‘O, zo’n wrat pást op de teen?’ vraag ik, voor de zekerheid.
‘Ja, natuurlijk. Daarom is het zielig,’ zegt hij.
Weer die verdrietige blik.
‘Nu is hij weg hoor,’ zeg ik, afrondend, ‘ik klop straks de dekens wel uit. Dan is hij weg. Dan is het bed weer lekker schoon.’
Hij kijkt wat argwanend, maar besluit toch dat het wel het beste is.
‘Ik hoor hem nog wél piepen,’ zegt hij.

Ik lach zachtjes. Dag piepende wrat, het ga je goed.
Van mij mag een dag altijd zo beginnen.

 
 
 
2011.