Opeens is hij wakker. Hij hoorde iets. Hij schrikt gelijk, want het is best donker in zijn kamer. De lamp moest stuk zijn gegaan. Alleen in de gang brandt licht, want onder de deur ziet hij een lichte streep. Daardoor ziet hij een klein beetje van zijn kamer.

Maar veel te weinig. In de verste hoek zag hij toch iets bewegen? Hij wordt erg bang en trekt heel voorzichtig de dekens over zijn hoofd. Langzaam en zachtjes kijkt hij nog even onder een punt van de deken vandaan naar de enge hoek. Ja kijk! Daar staat een man!

Hij moet eigenlijk hard huilen maar hij durft het niet. Hij is zo bang dat hij heel erg trilt. Hij probeert zijn benen stil te houden want hij is bang dat de man hem ziet! Hij durft mama ook niet te roepen, want dan komt de man natuurlijk naar hem toe! En trouwens mama, die is helemaal niet sterk. Was papa er nou maar…

Hij hoort een zucht en het gordijn beweegt! Hij kan niet meer. Hij voelt zijn benen nat worden en merkt dat hij in bed plast. Dan kan hij het echt niet meer houden en hij begint keihard te huilen!

De deur vliegt open en het grote licht in zijn kamer flitst aan. Mama stormt de kamer binnen en rent naar hem toe.
‘Wat is er jongen?
Ach hé, je bent helemaal nat! Heb je in bed geplast? Ach, stil maar! Wat is er dan toch?’

Door zijn tranen heen flitsen zijn ogen naar de enge hoek. Daar staat de nieuwe kapstok die hij vanmorgen van oom Albert kreeg. Zijn fietshelm hangt eraan. Het raam ernaast staat een beetje open en de wind bolt het gordijn wat op.

‘Ik, nou die man…’ Door het snikken kan hij bijna niet praten.
‘Welke mán?’ vraagt mama verbaasd.
‘Ik durfde je niet te roepen mama. Die man. Ik dacht dat hij er was! En papa was er ook niet!!’

Hij voelt het lichaam van mama direct verstrakken.
‘Ja hier hebben we het over gehad, Robert.’ Mama’s stem klinkt opeens boos.
‘Papa woont nu niet meer hier bij ons, maar in zijn eigen huis. Wij wonen hier met zijn drietjes en papa woont daar. Zondag zie je papa weer. Dat hebben we afgesproken. Nou kom, ik zal je een droge broek geven en stil nou maar, straks maak je Pieter ook nog wakker.’

Als hij even later in mama’s bed ligt kijkt hij naar haar. Ze ligt nog wat te lezen, maar ze slaat de bladzijden heel snel om. Hij mist haar. Ze is er wel, maar ook niet. Ze is vaak boos en zenuwachtig. Zo heel anders dan anders. Dan eerst.

Dan denkt hij aan papa. Papa is ook vaak zenuwachtig of zo en altijd maar vrolijk als ze iets gaan doen. Hij mist papa ook. Hij mist papa zo erg. Hij snapt er niks van dat papa ergens anders moet wonen. Zo mist hij hem toch elke dag? Zondag pas. Dan moet hij eerst nog drie dagen naar school.

En weer wordt het bed nat. Maar dit keer het kussen.
Hij draait zich snel om.

 
image401