‘Wat een prachtig exemplaar. Bent u de dochter?’ vroeg de man schijnbaar zonder enige aanleiding aan de vrouw, die naast een hoopje weggemoffeld bejaard in een ingenieus uitziende gehandicaptenfiets zat.
Ik dacht even de beste wervende openingszin sinds tijden te hebben gehoord, maar de man bleek niet zozeer de vrouw prachtig te vinden als wel het ingenieuze vehikel.

De vrouw knikte even. De man zei: ‘Jullie zitten dus naast elkaar tijdens het rijden?’
‘Klopt,’ zei de dochter, ‘de benen van moeder hoeven niet mee te bewegen en als ik alleen trap heb ik bewegingsondersteuning, dus we gaan als een speer. Als de brandweer, zeg maar.’
‘Prachtig, ja ja ja,’ zei de man. Hij keek naar moeder.
‘Hoe oud is moeder?’ vroeg hij toen.
‘O, moeder is al zesennegentig,’ zei de dochter, een beetje trots.
‘Zo, zo zo!’ riep de man verrast.

Er kwam beweging in moeder en ze zei iets dat alleen de dochter kon verstaan, na jarenlange oefening. Maar dat was de hoogbejaarde natuurlijk niet aan te rekenen. Ook ik vond zesennegentig een repectabele en tevens onbereikbare leeftijd.
‘Moeder zegt ook dat ze al zesennegentig is,’ zei de dochter mat.

‘En nu even met dochter op stap,’ kweelde de man, ‘dat is mooi dat ze nog zo’n jonge dochter heeft.’
De vrouw lachte.
‘Ja moeder was al eenenvijftig toen ze mij kreeg hoor, moet je rekenen,’ zei de dochter, niet zonder walging. ‘Ze dacht eerst dat ze in de overgang was, maar dat was niet zo. Ik was het.’
De man knikte even.
‘Daar heeft ze nu mooi profijt van,’ zei hij. Het klonk jaloers. Zelf al op leeftijd leek hij mij iemand die een mantelzorger node miste. Maar meer om lekker tegenaan te zeuren bij diverse ongemakkelijke pijntjes, want zo ogenschijnlijk leek hem niks wezenlijks te mankeren en kon hij doorgaan voor een deksels vitale baas.

Ik wendde de blik van hem af en keek een beetje angstig naar mijn zoon, die naast mij aan zijn ijsje likte. Hij had net als ik de conversatie aandachtig gevolgd. Ik vreesde een van zijn goudeerlijke doch luidkeelse commentaren, maar het bleef uit. Zijn grote blauwe ogen rustten op de zesennegentigjarige.

Ik zat te rekenen hoe oud de dochter nu dan was, maar voelde een zachte druk op de schouder.
‘Mag ik er even langs, anders moet ik zo manoeuvreren ziet u.’
Het was de dochter. Ik verliet mijn stoel en mijn zoon deed dat ook. We maakten ruimte voor de twee vrouwen, die inmiddels naast elkaar in het voertuig zaten. Voorzichtig reden ze langs de tafeltjes en daarna de weg op.

Daar gingen ze. De dochter trapte en moeder hing ernaast. Inderdaad maakte de trapkar flinke vaart, ze suisden langs ons en waren weldra uit het zicht verdwenen.

Mijn zoon keek ze na. Toen zei hij: ‘Die mevrouw keek zó.’ Hij zette een zeer vermoeid en uitdrukkingsloos gezicht op. Daarna zei hij: ‘Maar die was ook zesennegentig en als je zo lang hebt geleefd ben je vast moe.’
Ik vond het wijze woorden want ik voelde me soms nu reeds moe. Hij voegde nog toe: ‘Ik hoop maar dat ze een leuk leven had want als je zo oud bent en je had een stom leven dan vind ik dat zielig.’

Het ijs was op en hij sprong op. Ik volgde en schouderduwend liepen we naar de auto.
Goethe zei: Het is geen kunst om oud te worden, ’t is een kunst om het te dragen.

 
 
2016