Zwaaien

De wereld is nog ver weg als ik ontwaak. Mistige dampen zitten in het hoofd, daar kan geen weersverwachting tegenop. De kinderen schreeuwen en de vrouw heeft een probleem, dat direct na het opstaan behandeld dient te worden. De stimuli dringen als ongeleide projectielen door de mist en ontploffen in mijn hoofd.
De auto start slecht en reeds bij het opdraaien van de hoofdweg treft mij een heftig orkest van claxons, omdat ik het aanstormend verkeer erg laat zag en onverhoeds de weg opdraaide. Op de radio kweelt een stem: ‘Het kan wel zo zijn dat het lijkt of de economie aantrekt maar we zijn met z’n allen nog verder van huis dan in 1930.’ Zuchtend druk ik op de uit-knop. Hierbij let ik weer slecht op want ik blijk opeens in een file voor de rotonde te staan en moet zeer krachtig remmen.
Net overdenk ik terug te keren en het bed weer op te zoeken als ik toevallig opzij kijk en een klein meisje zie op de stoep. Onze blikken treffen elkaar kort want ze wordt net door haar moeder opgetild en achterop een fiets geplaatst. Dit verloopt echter zeer onhandig zodat het meisje naast de fiets belandt, met haar bips in het zand. Direct na de val kijkt ze achterom, om na te gaan of ik nog steeds kijk. Ik kijk nog steeds. Onze blikken treffen elkaar weer.
Na twee seconden begint ze hard te lachen, haar hele gezichtje straalt. Ik lach ook. Mijn Laurel-en-Hardy-humor werd zomaar aangesproken en ik blijk niet de enige te zijn die de dag moeizaam begint. Zo lachen we enige tijd. Het meisje heft haar hand en zwaait uitbundig. Ik zwaai uitgebreid terug, geen acht slaand op het getoeter achter mij omdat we weer kunnen rijden.
De rest van de rit verloopt prettig. Ik zet een mooi muziekje op en de zon begint te schijnen. Ik vind de wereld mooi. De dag kan niet meer stuk. Dankzij een meisje dat lachte en zwaaide.
 
img_1190-1024x768